Wegen en jaarmarkten

 

De handelsroutes over het land volgden meestal de oude Romeinse wegen, hoewel die toen gewoonlijk slechts uit grint en modder bestonden. Het verkeer verliep er zeer moeizaam. De rijke mensen reisden te paard, maar de meesten gingen te voet. De kooplieden laadden hun goederen op lastdieren en reisden vaak in karavanen voor de veiligheid. Niemand durfde 's nachts te reizen uit vrees voor rovers; langs de wegen lagen talrijke herbergen en slaapgelegenheden.

Op talrijke plaatsen werden jaarmarkten gehouden. Niet alleen in Duitsland, Frankrijk (vooral Champagne) en ItaliŽ maar ook in onze lage landen organiseerde men jaarmarkten, die vaak enkele weken duurden. De bekendste waren die van leper, Torhout, Brugge, Antwerpen en Bergen en die van Deventer, Zwolle en Kampen. Ze waren een ontmoetingsplaats voor kooplieden uit vele landen, waar het gewicht en de kwaliteit van de goederen werden nagegaan, waar contracten werden afgesloten en waar zelfs speciale magistraten geschillen moesten beslechten.

De gilden

 

De belangrijkste organisatie van een middeleeuwse stad was het gilde. Aanvankelijk was dat een vereniging van alle kooplieden in een stad, die zich aaneensloten om elkaar te helpen en te beschermen. Later vormden de meesters in een bepaald beroep van een stad een gilde. Zo waren er gilden van goudsmeden, leerlooiers, timmerlieden, lakenwevers, enz. Ze stelden regels op inzake de manier waarop en hoe lang men moest werken. Ze stelden prijzen vast en zeiden hoeveel iemand ten hoogste mocht verdienen. Ze beperkten het aantal personen dat een ambacht of handelspraktijk mocht uitoefenen. Bedrog en personen die de handel een slechte naam gaven, werden zwaar gestraft. Dit strakke systeem zorgde ervoor dat de kwaliteit van het werk hoog bleef, maar vernieuwingen waren uitermate moeilijk.

In vele steden verwierven de gilden veel rijkdom en macht. Ze bouwden gildehuizen waarin ze konden vergaderen. Zij schonken gebrandschilderde ramen aan de kathedralen en hadden vaak eigen kapellen in de kerken.

Om lid van het gilde te kunnen worden, moest men verscheidene jaren tegen een karige beloning als leerling bij een meester werken. Kende de leerling zijn vak dan werd hij, meestal na een kleine proef, als gezel toegelaten. Een kundig gezel kon meester worden na het maken van een proefstuk of meesterstuk. De leider van een gilde werd deken genoemd.

 

Het leven in de stad

 

Het middelpunt van de stad was de markt, waar de mensen uit de omgeving hun waren kwamen verkopen. Daaromheen lagen straatjes met kleine winkels, waar de emblemen op uithangborden aan de gevels hingen. Vaak woonden de beoefenaars van een zelfde ambacht of de handelaars in een zelfde produkt in dezelfde straat. De straten waren nauw en er werd allerlei vuilnis geworpen. Varkens en honden snuffelden tussen het afval. Rijke kooplieden bouwden zich een mooie woning, maar de meeste mensen waren slechts eng behuisd. Hun huizen waren vaak van hout, wat een groot brandgevaar betekende.

 

 

 

Langs de belangrijkste handelsroutes werden grote jaarmarkten gehouden. Deze 15de-eeuwse prent toont de jaarmarkt van Lendit in Frankrijk.