Een aanwezig verleden?

`Wat mij erg opvalt in Antwerpen en wat mij ook sterk aanspreekt is dat de sporen van de geschiedenis erg duidelijk aanwezig zijn in de stad. De inbreng van elke eeuw is nog steeds herkenbaar, waardoor ook de geest van elke periode in de geschiedenis voelbaar is. Dit is een belangrijke kwaliteit van Antwerpen die men in vele andere steden niet vindt'.

Bij deze uitspraak van de Japanse stedenbouwkundige Toyo Ito in de `Nieuwsbrief Stad aan de Stroom' bekruipen je, als Antwerpenaar, tegen­strijdige gevoelens. Je voelt een chauvinistische fierheid opwellen, omdat je nu van een onbevooroordeeld beoordelaar hoort hoe enig je stad is. Tegelijk verwondert je dat gunstige oordeel, omdat je in diezelfde stad zoveel `sporen van de geschiedenis' hebt weten verloren gaan.

Wie verweerde zandsteenfragmenten van oude gebouwen aanraakt,voelt `handtastelijk' de gevolgen van de verontreiniging van het leefmilieu. Het aftakelingsproces waar de materie, onder invloed van de tand des tijds, aan onderhevig is, verklaart slechts gedeeltelijk waarom in het stedelijke landschap relatief weinig overbleef uit de voorbije eeuwen. De bewogen geschiedenis is mee schuld aan de verdwijning van oude getuigen.

Reeds in 836 werd hier een als 'Andoverpis' aangeduide bewoningskern door Vikingen met de grond gelijk gemaakt.

In een vitale, zich bestendig hernieuwende stad moet altijd opnieuw veel van het oude wijken voor het nieuwe. Terwijl het verarmde en verstilde Brugge zijn middeleeuws karakter behield, `moderniseerde' Ant­werpen zich in de negentiende eeuw.

Ongelukkiglijk kwam daarbij geen gezond evenwicht tot stand tussen het gewettigde streven naar vernieuwing en voor de eerbied voor wat oud en toch waardevol was.

Zelfs in een recent verleden vielen belangrijke relicten, essentiŽle stukken uit het oudste stadsweefsel ten prooi aan door speculatie geÔnspireerde `saneringen'.

Het rijke bodemarchief wordt dagelijks verder vernietigd: bouwprojecten woelen de grond om, zonder gelegenheid te geven tot archeologisch onderzoek.

Was het misschien verkieslijk over deze zwarte bladzijden uit de geschiedenis te zwijgen en de toerist en de argeloze jonge Sinjoor enkel te wijzen op wat nog aanwezig is? Het valt te betwijfelen. Moet men de lezer

niet voorlichten over de representativiteit van wat nog kan getoond wor­den?

Niet enkel via wat bewaard bleef, maar ook via de geslagen wonden wordt de geest van elke periode in de geschiedenis voelbaar'.